Nabeschouwingen
Mexicaanse cactussen, nieuwigheden en bijzondere succulenten
21 januari 2008
Door Louis vande Meuter
Acharagma is een nieuw geslacht met, tot op heden, slechts twee soorten: A.roseana en A.aguirreana. Beiden waren vroeger gekend onder Gymnocactus, Escobaria, Thelocactus en nog wel enkele andere geslachten. De vrucht springt niet open en de tuberkels hebben ongegroefde areolen.
Met deze uiteenzetting bij een afbeelding van A. roseana opende Louis zijn interessante lezing, eigenlijk zoals we dat van hem gewoon zijn.
Bartschella schumannii behoort nu tot het geslacht Mammillaria in de serie Ancistracanthae (Hunt) of de serie Bartschella volgens Lüthy. Bij rijpheid drogen de vruchten in en openen zich onderaan.
Ariocarpus kent heden ten dage 9 soorten. A. agavoides (Neogomesia), A. fissuratus, (Roseocactus) A. fissuratus ssp. Bravoanus, A. fissuratus ssp. Hintonii, A. kotchoubeyanus, (Roseocactus) A. retusus, A. retusus var. furfuraceus, A. retusus ssp. trigonus, A. scaphirostris. Alle soorten komen voor in Mexico.
Enkel A. fissuratus groeit ook in Texas en New Mexico.
Een goede drainage is noodzakelijk daar deze traag groeiende planten geen natte voeten verdragen. De aanzienlijke penwortels kunnen bij grote droogte bijna volledig in de grond trekken waardoor ze onvindbaar worden. Al deze soorten zijn bedreigd en daarom uiteraard ook beschermd.
Coryphantha is een geslacht dat voorkomt in het Zuidwesten van de USA en het Noordwesten van Mexico. Het is verwant aan Mammillaria. De bloemen van Coryphantha verschijnen vanuit de nieuwgroei aan de top van de planten. Bij Mammillaria vormen ze een ring die voortkomt van een voorafgaand groeiseizoen. Verder hebben Coryphantha’s een groef aan de bovenkant van de tuberkels, vanaf de basis tot aan de apex.
Coryphantha glanduligera (syn. C. bergeriana) lijkt op C. echinoidea maar het lichaam is omgekeerd eivormig.
Een volgend geslacht waar we heel wat beelden van te zien kregen was Echinocereus. Ze komen voor in Mexico en het zuiden van de Verenigde Staten.
Ze vormen dikwijls groepen met korte of langere stammetjes. De bekervormige bloemen openen zich ’s morgens en sluiten ’s avonds.
Een soort bloeit ’s nachts (E. sheeri) net als Peniocereus waarvan vermoed wordt dat ze dezelfde voorouders hadden. Een merkwaardig kenmerk dat ze allen gemeen hebben is dat ze steeds groene stempellobben hebben. Grote soorten verkiezen volle zonlicht terwijl de kleintjes toch enige schaduw prefereren.
Enkele soorten verdragen vorst, zelfs tot -17°C. Wie meer over dit geslacht wil weten kan hierover een monografie vinden in onze bibliotheek.
Dit laatste geldt uiteraard ook voor heel wat andere geslachten.
Een klein genus uit Zuidwest USA tot Noordelijk Mexico is Escobaria. Het is nauw verwant aan Coryphantha en iets minder aan Mammillaria.
De kleine trechtervormige bloemen verschijnen in de lente en zomer. Ze zijn meestal geel, roze of bruinachtig van kleur. Ook deze planten dienen opgepot te worden in een zeer doorlatend substraat daar ze zeer gevoelig zijn voor wortelrot. Ze verdragen allemaal lichte vorst. Net als de Coryphantha’s hebben ze een groef aan de bovenkant van de tuberkels.
Voor de liefhebbers die niet veel plaats hebben in hun kas zijn alle soorten uit de genus Turbinicarpus een aanrader. Meestal worden ze geënt aangeboden maar deze dwergen onder de cactussen zijn zeker met enige voorzichtigheid goed op eigen wortel te kweken waardoor ze meer op hun kompanen uit de natuur gaan lijken.
Alle soorten van het geslacht Gymnocactus zijn overgeplaatst naar Turbinicarpus behalve G. roseana en G. aguirreana ( zie begin tekst). In het Zuidelijk deel van het continent vinden we tal van andere cactusgeslachten. Louis toonde ons o.a. soorten van volgende geslachten: Copiapoa (cinerea, coquimbana, montana); Frailea castanea; Lobivia (Echinopsis); Mediolobivia (Echinopsis); Neochilenia (Eriocyse); Gymnocalycium; Rebutia; Sulcorebutia; Voor de geïnteresseerde liefhebbers zijn er ook boeken te verkrijgen over de planten van deze contreien.
Tot slot kregen we dan een aantal bijzondere succulenten te zien waarvan we weten dat Louis hierin bijzonder geïnteresseerd is.
Hij begon het rijtje met Matelea cyclophylla: komt voor van Jalisco tot Oaxaca (Mexico). Ceropegia stapeliiformis is thuis in Zuid-Afrika en Swaziland waar men hem “slangkambro” noemt.
Ook de Stapeliaverwanten werden niet vergeten. De bloemen van Caralluma zijn niet meteen een weldaad voor ons reukorgaan.
Ze trekken dan ook veel vliegen aan die zorgen voor de bestuiving. Duvalandria dioscoridis is endemisch in Socotra. Heurnia occulta groeit in Zimbabwe op beschaduwde plaatsen, soms volledig verborgen in het gras. Heurnia zebrina ssp. magniflora komt voor in Namibië, Botswana, N.Transvaal, N.Natal, Zimbabwe in de lage gebieden en dus noordelijker dan de typesoort. Orbea rangeana is thuis in de Oostelijke Namibwoestijn. Dan volgden nog een aantal Stapelia’s waaronder de zeldzame S. divaricata. Het plantje moet men zoeken in het Zuidwesten van de Kaapprovincie. Als laatste van deze bijzondere presentatie zagen we Caralluma socotrana die reeds bekend was in 1883. Ze komt voor op Socotra, vaak op kalksteenvlakten en lage heuvels. Ook in Ethiopië en Kenia kan men het plantje vinden. Het is niet alleen in cultuur maar evenzeer in de natuur een kort leven beschoren.
Wie er niet bij kon zijn had pech en al de anderen ongelijk dat ze er niet bij waren. Bedankt Louis voor deze schitterende voordracht en we hopen U nog meer te mogen verwelkomen bij een volgende lezing over onze succulenten en al wat daar bij hoort.
Jef