Nabeschouwingen

Mini & Maxi

17 september 2007

Dat woorden niet altijd voor iedereen dezelfde betekenis hebben, is duidelijk geworden tijdens onze jongste lichtfeesten. Het thema dat wij dit jaar brachten was blijkbaar voor interpretatie vatbaar. Het thema ”Dwergen en reuzen” kreeg al snel diverse gezichten. Een eerste invulling bleek een tafel met een uit de kluiten gewassen /volwassen grüsonia omringd door vele kleintjes en zaailingen in diverse stadia. Een leuke variatie op de oorspronkelijke gedachte die erin bestond  om het contrast aan te tonen tussen de allergrootste soorten (bijvoorbeeld de metershoge cereussoorten) en de allerkleinste bolcactussen zoals de Blossfeldia’s.

Nu beide opvattingen hebben onze lichtfeesten overleefd. De lezing van vanavond, zo dacht ik, zou het verlengstuk zijn van ons thema “dwergen en reuzen”.Al snel bleek dat onze gastspreker nog een andere weg insloeg.
Met zijn “mini & maxi” wou hij het contrast aantonen binnen slechts één categorie van cactussen, namelijk de zuilcactussen.
Martien begint met een eerbetoon aan deze zuilcactussen. Hij vindt het vooral spijtig dat deze categorie van planten nog zo weinig wordt gekweekt / verzameld.
Je vindt ze volgens hem nog alleen bij oudere liefhebbers. Nu welke leeftijd onze Nederlandse collega dan wel bedoelt, weet ik niet. Ik zie in de cactusverenigingen maar zelden “jonge”mensen verschijnen.

Nu goed het doel van deze lezing bleek er vooral in te bestaan om aan te tonen hoeveel interessante, kleine of traag groeiende zuilcactussen er wel bestaan. Weg met de clichés dat cereussen te groot worden, te snel groeien of pas bloeien op latere leeftijd. En de kans om deze stelling te verdedigen werd hem uiteraard met alle plezier gegund. Het is Akersia roseiflora (nu bij Cleistocactus ingedeeld door Anderson)die de spits afbijt. Meteen mooie bloemen en dat al vanaf 40cm hoogte.
Hij kan tegen wat kou en dat kan moeilijk gezegd van de volgende planten die worden getoond. Er volgen dan namelijk heel wat Arrojadoa’s, sommige met fantastische bloemen en een aantal wordt echt niet te groot. Ze hoeven ook niet torenhoog te zijn om deze bloemen ten toon te spreiden. Spijtig dat deze gasten niet zo goed de kou verdragen…
Bij het geslacht Arthrocereus komen er al direct enkele minder gekende soorten in beeld . Wie van ons kweekt soorten zoals Arthrocereus campos-portoi of itabiriticola ? (beiden krijgen nu de naam glaziovii). Wederom verrassend mooie bloemen maar ook weer warmteminnend. De Bolivicereus rufus (nieuwe naam volgt onmiddellijk) is ook al geen alledaagse verschijning. En het geslacht  Borzicactus werd vroeger reeds in één adem genoemd met voorgaande. Nu de heer Anderson gooit dit allemaal op één hoopje dat hij de naam Cleistocactus meegeeft.

Daarna volgt er terug een trits koukleumen zoals Coleocephalocereus - Buiningia (nu ook Coleocephalocereus)-Cephalocereus en Cephalocleistocactus, of hoe we het woordje “cephalo” even maximum kunnen benutten. Denmoza rhodacantha is misschien eerder een verassing in dit gezelschap. Het geslacht Haageocereus  staat zeker niet bekend als gewillige bloeier.

Via de Loxanthocereus (u raad het al, Anderson deelde ze in bij de cleisto’s) belanden we bij de Micranthocereus. Na de pauze komen enkele ruige jongens de scène onveilig maken. Oreocereussen , ongeschoren en ongecensureerd, ook niet vies van een beetje wol en haar, zijn de Pilosocereussen. Hiervan zijn ook de vruchten best te pruimen. Het scherm kleurt nu intens blauw. Let wel op want voor u het weet betalen we ons ook blauw aan verwarmingskosten. Dan wordt het weer even tijd voor een echte dwerg onder de zuilen.  Zijn naam laat al duidelijk vermoeden dat onze Pygmaeocereus niet van plan is om hoge toppen te scheren. Voor wie op zoek is naar het fijnere en ook moeilijkere werk zal dit geslacht nog wel enkele uitdagingen aanbieden. Tijd voor een beetje adel .  De “ koningin van de nacht” maakt haar opwachting samen met een familielid.  Dit minder bekende familielid luistert naar de naam Selenicereus macdonaldiae.
Soehrensia (nu bij Lobivia) kennen we vooral als bolcactus maar zou op latere leeftijd toch de slanke toer op gaan.Onder de letter “T” komen we nog Trichocereus
(niet te geloven dat dit nu Echinopsis moet heten) en Trixanthocereus tegen. Wilcoxia’s zijn ooit populairder geweest maar mogen zeker niet ontbreken.

De allerlaatste dia zou het resultaat kunnen zijn van een of ander chemisch experiment. ”Echinometra lividus” was de naam die dit schepsel meekreeg. Het zou inderdaad kunnen dat er ooit nieuwe soorten op de wereld worden gezet zonder dat er nog echte cactuszaadjes voor nodig zijn. Nu echter slechts een kwinkslag, sciencefiction of een verdoken wens. Wie zal het zeggen? Zoek vooral nu nog niet naar deze soort want de kans op succes lijkt me eerder klein.

Laten we besluiten met te zeggen dat de moraal van het verhaal van deze avond wel duidelijk was. Er werden enerzijds planten van onder het stof gehaald die wel echt in de vergeethoek zaten. Anderzijds kwamen planten op de voorgrond die misschien nog te onbekend zijn.

Onbekend is onbemind zegt het spreekwoord. En zoals al aangehaald staat Martien huiverig tegenover deze gedachte.

Bedankt Martien Senders.


Kris De Raeymaeker 

Overzicht nabeschouwingen


Webdesign: Geert Serneels - webmaster@cactusweelde.be