Nabeschouwingen
Romantische beslommeringen in de verzameling
19 januari 2004
Als eerste spreker van 2004 stond Louis van de Meuter op het programma. Louis heeft zeer veel ervaring in onze hobby, hij kent zijn zaak door en door. Bovendien is hij een uitstekend fotograaf. Reken daar nog bij dat Louis een vlotte spreker is en dan heb je alle ingrediënten voor een geslaagde avond. Onze spreker heeft twee duidelijke gebieden waarin hij zich heeft gespecialiseerd. Niet dat hij geen oog heeft voor al het andere in onze hobby want dat blijkt zeker uit wat volgt. Deze twee gebieden zijn de Asclepiadaceae en insecten. Met betrekking tot de insecten heeft Louis een boekje geschreven met de titel “Schadelijke Ongewervelden in Succulentenkassen”: echt specialistenwerk, begrijpelijk geschreven met een volledig overzicht dat een hulp is bij determinatie van de insecten. Tevens bevat het een overzicht van bestrijding en aanbevelingen. Dit boekje kan je uitlenen want het zit in onze bibliotheek. Zeker een aanrader om te lezen.Louis startte met een rondgang door zijn verzameling met Ariocarpus trigonus. Gezaaide planten kunnen jong geënt worden, of op Pereiskiopsis of op een Echinopsis. Indien ze geënt worden op een Pereiskiopsis doet men er goed aan om ze na een jaar over te enten op een Echinopsis die hard gekweekt is. Een hard gekweekte Echinopsis heeft meer kans om te fungeren als blijvende onderstam voor de Ariocarpus. Het beste en het mooiste is de Ariocarpus op eigen wortel te kweken. Dit is echter een proces van lange duur, lang in de betekenis van minstens 10 à 15 jaar! Heb je de tijd dan loont het zeker de moeite. Indien je sneller wil gaan dan is het toch beter om op twee paarden te wedden. Ent enkele planten, daar heb je dan snel plezier aan en de andere kweek je op eigen wortel verder. Deze zullen U zeker op lange termijn veel plezier bezorgen.
Een ander geslacht bij de cactussen dat nauw aan het hart van Louis ligt is Astrophytum. Sommige auteurs vermelden Astrophytum crassispinum als een zelfstandige soort daar waar anderen (de huidige trend) deze plant beschouwen als een variëteit van Astrophytum capricorne. Louis toonde ons de bloemen van de twee planten die duidelijk verschillend waren. Astrophytum capricorne heeft een gele bloem met rode keel daar waar de crassispinum een volledig gele bloem heeft. Over nomenclatuur is reeds veel inkt gevloeid en dat zal waarschijnlijk wel zo blijven. Voor ons, liefhebbers, zijn al de naamveranderingen soms heel vervelend maar niets houdt U tegen om zelf te kiezen welke strekking je volgt. M.b.t. cactussen volgt Louis hoofdzakelijk het werk van Backeberg.
Coryphanta is ook een favoriet geslacht maar niet eenvoudig om te determineren. Coryphantha elephantidens met zijn zacht rode bloem is echter een uitzondering, de meeste planten uit dit geslacht bloeien geel. Louis toonde ons twee uitersten in bloemkleur, een plant met een roze bloem de andere met een donker karmijnrode bloem. In feite zou voor het geslacht Coryphantha een veldstudie geen luxe zijn. Over dit geslacht is nog maar weinig of niets aan literatuur verschenen. Van de liefhebbers die Mexico afgereisd hebben meen ik begrepen te hebben dat dit niet eenvoudig zou zijn. De meeste soorten vloeien in elkaar over en het zou heel wat tijd en studie vergen om er een lijn in te trekken. Hetzelfde geldt voor het geslacht Stenocactus (vroeger Echinofossulocactus) waarvoor het nog moeilijker schijnt te zijn. Laat ons hopen dat er zich toch eens iemand over het lot van deze geslachten gaat buigen. Echinocereus coccineus heeft Louis meer dan 20 jaar geleden gezaaid. De plant groeide voorspoedig maar bloeide nooit. Tot hij een andere serre plaatste en er meer licht en zon beschikbaar was voor deze plant. Dicht onder het glas is het nu een dankbare bloeier. Een ander plantje uit dit geslacht, Echinocereus davisii is tevens de kleinste vertegenwoordiger. Dit plantje wordt maar enkele cm hoog, het is niet aan te raden om het te enten want dan deformeert het en is het geen lang leven beschoren. Dit plantje bloeit overvloedig in het voorjaar met glanzende gele bloempjes waarvan de bloemblaadjes aan de achterzijde een roodbruine streep hebben. Glandulicactus uncinatus groeit zeer traag waardoor men de plant al eens ent. Dit komt zeker niet ten goede want de plant schiet dan hoog op en vervormt de plant sterk. Op eigen wortel is het een prachtige plant met blauwgrijs epidermis en zeer lange doornen, echt een lust voor het oog. De bloem heeft moeite om zich door de doornen te werken. Ze heeft een zeer aparte bruinachtige kleur. De varieteit wrightii zou een purpere bloem hebben. Het zijn geen gemakkelijke planten die voorzichtig moeten gegoten worden en een lichte en zonnige standplaats op prijs stellen. Om deze moeilijkheden te omzeilen kan men de plant enten op een Echinopsis. Deze jaagt de plant niet in de hoogte en met wat geluk vormt de Echinopsis een pseudo wortel zodat de plant met een mooie habitus U jaren plezier kan schenken. Het beeld van Mammillaria senelis spetterde van kleur, de grote karmijnrode bloemen steken fel af tegen het hagelwitte doornenkleed. Deze planten groeien in Mexico op grote hoogte in pijnbossen waar het in de winter wel eens kan vriezen. Deze planten zijn bij de eerste die bloeien in het voorjaar. Louis plaatst deze planten dicht bij het glas en krijgt ze elk jaar in bloei. Planten die uit de mode zijn maar zeker toch een plaats verdienen in de verzameling zijn de Notocactussen. Notocactus rutilans met zachtroze bloem is een streling voor het oog. Notocactus uebelmannianus heeft een bloem met een aparte rode kleur. Het beeld sprong bijna van het doek. En toch ziet men die plant bijna niet meer in de verzamelingen. Notocactussen groeien in de natuur onder andere omstandigheden als voorgaande soorten, zij zijn tevreden met minder zon. Dus planten voor liefhebbers met slechts een deel van de dag zon. Planten die ook met minder tevreden zijn en bovendien uitbundig bloeien zijn Rebutia. Ze zijn gemakkelijk te zaaien, met dien verstande dat het zaad niet te oud is. Planten die iets meer zon nodig hebben maar ook nog te houden zijn met minder zon zijn de Sulcorebutia’s. Van de soorten die getoond werden wil ik er toch enkele vermelden. Sulcorebutia glomerispina met karmijnroze bloemen, Sulcorebutia menesesii met gele bloemen, Sulcorebutia mentosa met violette bloemen. Een kleinood is Sulcorebutia rauchii met een grijsblauw epidermis. De bloemen zijn violet met een witte keel. Het geslacht Thelocactus bevat planten die zowel qua habitus en bloemen subliem zijn. Zij hebben graag veel zon en dicht bij het glas wordt hun bedoorning nog mooier. Thelocactus bicolor is zowat de meest bekende uit de familie. De bloem heeft een doormeter van ongeveer 8 cm, magenta van kleur met zijdeglanzende bloembladeren. Het plantenlichaam gaat dikwijls schuil achter deze spetterende bloem.
Louis liet ons ook kennis maken met een aantal vleesetende planten. Deze kunnen onder het tablet gekweekt worden, het zijn mooie planten en ze verorberen insecten, zoals de beduchte sciaramuggen. Mooi en nuttig wat wil men nog meer.
De favoriete planten van Louis zijn de succulente vertegenwoordigers uit het geslacht Asclepiadacceae. Alle Asclepias hebben vijfdelige bloemen bezet met bewegende haartjes en uitzonderlijke kleurschakeringen. Deze kenmerken hebben allemaal tot doel om de insecten in de bloem te lokken. Eens een insect in de bloem zit moet ze door een nauwe opening waar zich een pollenpaar bevindt. Deze twee pollen zijn verbonden door een beugelachtige klem, de klem zet zich vast op het insect die de pollen meeneemt naar een andere bloem voor bestuiving. Ceropegia lugardiae heeft lange haartjes die bewegen met de luchtstroom en alzo de insecten lokken. Ook de prachtige kleuren spelen een rol in het verleidingsproces. De meeste Ceropegias groeien in struiken waarin hun ranken steun vinden, zij groeien ook bij ons graag in de schaduw. Er zijn bij deze planten uitzonderlijke sierlijke bloemvormen, de planten worden in de volksmond ook lantaarnplanten genoemd.
Het beeld van Carralluma adscendens toonde ons een prachtige bloem, de bloembladeren waren groen en bruin gevlekt en op het uiteinde van de blaadjes stonden donkerkarmijnbruine haartjes. Subliem hoe de natuur alles voorziet voor de voortplanting en instandhouding van de soort. Huernia zebrina heeft een bloem van ongeveer 10cm, is rood en wit gevlekt en heeft een dikke uitstulpende corollaring die naar binnen toe donker paars gekleurd is. Deze ring, de kleuren en soms ook de geur hebben allen tot doel om de insecten te lokken voor bestuiving. Huernia guttata heeft een heel speciale bloem die geen geur heeft; een plant die zelfs op een zonnige vensterbank kan gehouden worden. Orbea cooperi heeft gele zandkleurige bloembladeren doorlopen met fijne purperen streepjes. De bloem is relatief groot t.o.v de stammetjes.
Als afsluiter toonde Louis ons een dia van Tridentea gemiflora met een bloem als een juweel. Hij noemde deze zijn gouden vliegenvanger.
Het was, zoals steeds, een prachtige voordracht heel variabel en gebracht met kennis van zaken. Wij hopen nog dikwijls naar prachtige dia’s te mogen kijken die vergezeld zijn van een uitstekende babbel.
Marc.