Nabeschouwingen
Mijn andere planten als Echinocereus
17 maart 2003
Door ziekte kon onze penningmeester Kris niet aanwezig zijn op onze jaarvergadering. Wij hebben toen de bespreking van de balans uitgesteld. Daar wij het belangrijk vinden dat onze leden op de hoogte zijn van onze financiële situatie was Kris als eerste aan de beurt om toelichting te geven over de cijfers. In 2002 hebben wij verschillende investeringen gedaan om de kwaliteit van de vergaderingen te verbeteren. Wij hebben een geluidsinstallatie en een diaprojector aangekocht. Dit waren de zwaarste kosten die niet volledig negatief in de balans te voorschijn kwamen. Met andere woorden is een deel van de kost reeds gerecupereerd. Een punt van attentie zijn de dalende inkomsten waar wij moeten aan sleutelen om het te verbeteren. Globaal gezien is onze financiële situatie gezond. Wij danken dan ook Kris voor zijn deskundige uiteenzetting en het goed beheer van onze middelen.Als gastspreker hadden wij Frans Cuypers gevraagd om een voordracht te geven. Frans is gespecialiseerd in het geslacht Echinocereus, maar zoals de titel zegt, ging het daar niet over. Naar zij eigen zeggen had hij deze voordracht gemaakt om een lege ruimte te vullen in Turnhout. Volgens hem waren de dia’s een samenraapsel; wel het mag steeds zulk een samenraapsel zijn. De beelden waren prachtig met een goede afwisseling tussen cactussen en andere succulenten en alles werd vlot aan elkaar gepraat. Frans is reeds jaren begaan met ons hobby, als het mij goed voor staat was hij reeds lid toen wij nog onze vergaderingen hielden in zaal “Cecil” in de Van Arteveldestraat te Antwerpen en dat moet ergens in de jaren ’70 geweest zijn. Frans heeft dus heel wat evaring en dat bleek ook uit de verscheidenheid van planten die hij op het doek bracht. Als leidraad voor de cactussen volgt Frans het boek van Anderson “The Cactus Family”. Dat is, voor zijn controversiële samenvoegingen van geslachten, door velen vergruisd. Maar botanici hebben nu eenmaal andere objectieven dan wij liefhebbers. Naarmate men de eigenschappen van de planten meer kan doorgronden zullen er wel telkens andere inzichten komen. Er wordt tegenwoordig veel DNA onderzoek verricht wat dan weer tot een andere indeling kan leiden. Wij zijn tegenwoordig in het tijdperk van de “lumpers” of samenvoegers. Maar wie weet komt er weer een periode dat men terug gaat “splitten” geslachten terug gaat opdelen in kleinere eenheden. Wij liefhebbers moeten ons ergens op baseren en zijn dus aangewezen op wat de botanici ons voorschotelen.
Lobivia heeft prachtige bloemen maar ze bloemen op de middag en zijn gesloten of uitgebloemd als de werkend liefhebbers thuis komen. Door deze eigenschap worden ze ook al wel eens “planten voor de gepensioneerden” genoemd. Als men bij de benaming van Lobivia pentlandii moest voortgaan op de bloemkleur, dan zou met een hele reeks namen kunnen creëren. De bloemen kunnen geel, oranje, roze, violet of rood zijn met daartussen nog heel wat combinaties. Zo zie je maar dat niet alle uiterlijke kenmerken maatgevend zijn voor een naam. Zoals bij de mens is er ook in het plantenrijk heel wat variatie. Niettemin zij het zeer dankbare en trouwe bloeiers die daarenboven zeer fotogeniek zijn. Dus een tip voor de diawedstrijd; er zijn met bloemen van Lobivia reeds heel wat prijzen weggekaapt. Reichsteineria leicotricha heeft zilvergrijze behaarde bladeren en een heel aparte bloemvorm en kleur. Als je deze plant zaait geeft Frans de raad om de kleine knolletjes onder de grond te houden. Het is slechts als die groter wordt dat de knol gedeeltelijk boven de grond wordt gekweekt. Graptopetalum bellum (vroeger Tacitus bellum) is ook een plant die mooi oogt en prachtig bloeit. Ariocarpus retusus geeft grote witte tot gele bloemen en zijn veel kleinere broertje agavoides bloeit met karmijnrode bloemen. Deze planten verdienen zeker een plaatsje in de verzameling maar het vraagt heel wat geduld om ze van zaad tot bloeibare plant te brengen. Als men ze ent op een trage onderstam dan behouden ze hun vorm en bloeien ze veel sneller. Op Pereikiopsis bloeien ze veel sneller, ik heb gehoord dat een agavoides reeds na één jaar op deze onderstam kan bloeien. Een heel andere plant of beter twee planten waren Euphorbia horrida met Viscum minimum. Viscum minimum is familie van de maretak en dus een parasiet. Het plantje is onooglijk klein, slechts enkele mm. Ook de bloem is zeer klein, maar de vrucht is dan weer relatief groot nl. 8-9 mm in doormeter en rood. In de vrucht zit een kleverig sap waarmee het zaad aan de plant blijft kleven. Een rode bes is uiteraard zeer aantrekkelijk voor vogels maar als zij die eten dan kunnen ze de zachte pel van de bes naar binnen werken maar het harde zaad met kleverig sap blijft aan hun bek hangen. Om dit te verwijderen vegen zij hun bek af aan de plant, zo worden de zaden verspreid. Deze Viscum minimum komt in de natuur op twee gastplanten voor nl. Euphorbia horrida en polygona. In cultuur zou ook Euphorbia stellaespina een goede gastheer zijn. Een goede plaats om het zaad op een plant te kleven zou de hoek tussen twee ribben zijn. Het zaad kiemt in twee tot vier weken. Hoe het zaad op de plant wordt aangebracht speelt geen rol want de kiem zoekt zelf naar het epidermis van de gastheer. Het bloemetje bestaat in feite steeds uit drie bloemen. De middelste is steeds de mannelijke bloem die aan beide zijden geflankeerd wordt door vrouwelijke bloemen. Op de bloemetjes hangt een grote druppel nectar wat teken is dat ze rijp zijn voor bestuiving. In onze contreien zijn er geen insecten die hierin geïnteresseerd zijn en moeten zij bestoven worden met een borsteltje. Het rijpen van de vrucht duurt verschillende maanden. Het zaad blijft zijn kiemkracht maar een maand of vier te behouden. Volgens wijlen Frank Horwood zijn de opgegeven tijden afhankelijk van de grootte van de gastplant. Ook op andere Euphorbias werden andere maretakken opgemerkt. Zo groeit er in Zuid-Afrika op Euphorbia avasmontana ook een Viscum die echter veel groter is dan voornoemde soort (zie “The Euphorbia Journal” deel 2 blz. 20).
Ik heb mij een beetje laten meevoeren in het opzoekwerk naar deze eigenaardige plant. Ik hoop dat dit van nut kan zijn voor eventueel geïnteresseerden.
Van Astrophytum toonde Frans ons mooie planten van “Super Kabuto” en “Onzuka”. Als je de planten zaait hou er dan rekening mee dat ze na jaren maar eerst hun schoonheid tonen. Dus volgens Frans mag je niet te snel planten wegdoen maar even geduld oefenen want je zou anders wel eens een prachtige plant kunnen weggeven. Zolang hij dan bij die andere liefhebber staat is er geen kwaad geschied maar als je hem op de composthoop kiepert dan zou dat zonde zijn.
Al de andere prachtige beelden hier nog verder bespreken zou ons wat te ver voeren. Het was in prachtige voordracht en ik hoop dat Frans nog eens zo een “samenraapsel” heeft want daar kan hij zeker en vast steeds bij ons mee terecht.
Marc